Nico Dijkshoorn trekt de natuur in

Voor drie dagen verruilde schrijver Nico Dijkshoorn de drukte van de stad voor de stilte van de natuur. Midden in boswachterij Kootwijk, met alleen maar wildernis om zich heen, logeerde hij in de voormalige boswachterswoning Fluitberg. Wat deed dat met hem?

Natuur, daar had ik weleens over gehoord, maar er alleen middenin zitten, daar was ik nog nooit aan toegekomen. Mijn vader reed graag heel hard door natuur, op weg naar een plek waar werd gehonkbald of waar zes Amsterdammers om een tafel zaten op te scheppen over de slager waar je de beste ossenworst kon kopen. Ook zonder mijn ouders was het mij niet gelukt om alleen, in volstrekte stilte, midden in de natuur te zitten.

 

Het dichtstbij kwam ik in Noorwegen, in een trekkershut vlak naast een fjord. Net toen De Natuur langzaam mijn lichaam binnensloop, verschenen er zes Nederlanders met een krat bier. De rest van de avond moest ik luisteren naar de beste adresjes in Nederland als je goed en toch goedkoop Chinees wilt eten.

 

Daarom greep ik de kans om enkele dagen alleen in een oud boswachtershuisje te logeren met beide handen aan. Het huisje lag vlak bij Kootwijk, midden in het bos. Een fijne naam had het. Fluitberg. De woning omarmde mij als een oude bekende. Na binnenkomst rook ik overweldigend veel natuur. Het bos liet zich niet tegenhouden door zoiets kinderachtigs als een muurtje of een raam. Het rook er naar bos en takken. Ik keek door het raam en zag het woud. Waar de dieren leefden.

 

Midden in de woonkamer stond een boomstammetje. Een krukje zo te zien. In het hout had iemand heel netjes, industrieel bijna, het woord EIKEN uitgesneden. Ik werd kwaad. Ten eerste omdat het van mij, om er een echt schrijvershuisje van te maken, wel iets abstracter had gemogen. Ik zou in alle staten van verrukking zijn geweest als er in het blok heel groot het woord BOKSHANDSCHOEN was uitgesneden. Maar ik voelde toch vooral kwaadheid of teleurstelling omdat de taal mijn huisje was binnengedrongen. Die onverbeterlijke drang van de mens om op alles te schrijven wat het is. Ik zou dat stuk hout zo graag in al zijn naakte schoonheid hebben gezien. Ik was een paar minuten binnen en ja hoor, de mens probeerde me alweer via een stuk hout te laten merken dat hij er ook nog was.

 

Want zo had het even gevoeld daar in de woonkamer. Ik had me eindelijk eens een keer te veel gevoeld. Dat huisje stond er dan wel, en je bleef er goed warm als het buiten koud was, maar nog nooit eerder voelde ik zo mijn terloopsheid, hoe dat leven van mij maar voortjakkerde en hoe ik nooit, nee nooit, eens de tijd had genomen om te ruiken en te voelen.

 

Ik moest eten halen. Er zat niets anders op. Ik verheugde mij niet erg op de hernieuwde kennismaking met het fenomeen mens. Het voelde als een hinderlijke onderbreking: in mijn jaszak moeten zoeken naar een muntstuk voor het karretje in de supermarkt. Ik merkte dat ik al anders door de supermarkt liep. Ik zette mijn voeten precies zoals ik buitenmensen dat had zien doen. Die liepen alsof ze helemaal nergens naartoe moesten. Dat wilde ik ook leren.

 

In het donker reed ik terug naar mijn huisje. Ik voelde een wildrooster, nam een bocht, deed mijn groot licht aan en daarna gilde ik. Recht voor mij, aan de kant van de weg, stond een zwijn. Zijn ogen vlamden op als een bosgeest in een zwart-witfilm uit de vorige eeuw. Hij keek mij niet aan. Hij at. En toen was het alweer voorbij.

 

Ik heb de hele nacht aan het zwijn liggen denken. Ik schaamde mij zo voor mijn auto vol boodschappen, met mijn wielen en mijn stuur, en dat hij daar met zijn neus in de grond op zoek was naar, ja, wat aten zwijnen eigenlijk? Ik had geen idee. Ik wist niks. Helemaal niks. Dat wisten ze natuurlijk, toen ze hoorden dat ik in het huisje zou verblijven. Daarom hadden ze nog snel even iemand het woord EIKEN in het hout laten rammen.

 

De volgende dag parkeerde ik mijn auto langs de weg en liep ik naar het Kootwijkerzand. Vlak voor mij liepen twee volwassenen met twee kinderen van ongeveer vier jaar oud. De vader legde uit wat ze gingen zien. ‘En dan zijn er bomen, bomen, bomen en opeens is er heel heel heel veel zand.’ Het was wandelen met ondertitels.

 

Naast mij stond een uitzichttoren. De kinderen en de twee volwassenen klommen naar boven. Ze keken over het hek. Daarna kwamen ze weer beneden. Het begon hard te regenen. Ik ben onder een boom gaan zitten en zag de volwassenen en de kinderen het bos in wandelen. Ik was alleen. Langzaam beklom ik de toren. Boven sloeg de regen hard in mijn gezicht. Ik zag dat aan de andere kant van de open vlakte zonlicht op het zand kaatste. En opeens begreep ik het. Hoe alles in elkaar zat.

 

Dit is de mens. Hij bouwt torens omdat hij de natuur niet begrijpt als hij er midden in staat. Zo zit het. Pas ver boven het zand, weg bij de dieren, begrijpt de mens waar hij midden in leeft. Hij moet met zijn handen aan de reling staan en dan durft hij pas te kijken. Terug in het huisje liep ik, met mijn jas nog aan, naar het blok hout. Ik draaide het om, zodat ik de letters niet zag. Ik deed het licht uit. Ik ging een paar dagen luisteren en ruiken.

 

 

v
15-2-2018 Tekst: Nico Dijkshoorn
Fluitberg
Lees meer over de Fluitberg
Boek nu
Tip van Buitenleven

Boekt u een verblijf met aankomst in de eerste 3 maanden van 2018, dan ontvangt u € 100,00 kado op het verblijf. Vergeet niet deze op tijd te verzilveren. Gebruik bij de boeking de actiecode 'Kerst18'.